Athenaeum Illustre (Amsterdam) - Wikiwand
For faster navigation, this Iframe is preloading the Wikiwand page for Athenaeum Illustre (Amsterdam).

Athenaeum Illustre (Amsterdam)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Negentiende-eeuwse impressie van de toegangspoort tot het Athenaeum Illustre in 1650 (Cornelis Springer, 1878)
Negentiende-eeuwse impressie van de toegangspoort tot het Athenaeum Illustre in 1650 (Cornelis Springer, 1878)
Poort van de Agnietenkapel met opschrift "Athenaeum Illustre 1632-1921"
Poort van de Agnietenkapel met opschrift "Athenaeum Illustre 1632-1921"

Het Amsterdamse Athenaeum Illustre was een illustere school gevestigd in de Agnietenkapel aan de Oudezijds Voorburgwal. Twee internationaal bekende wetenschappers, Gerardus Vossius en Caspar Barlaeus, hielden hier op respectievelijk op 8 en 9 januari 1632 hun inaugurele redes. De achtste januari werd later als dies natalis van het Athenaeum gevierd.

Na de opening van het Atheneum Illustre in 1632 werd de "bibliotheek van kerk en stad" overgebracht van de Nieuwe Kerk naar de nieuwe instelling. Dat bleek al snel een goede beslissing, want in 1645 ging de inboedel der kerk bij een brand verloren. De bibliotheek vormt thans de basis van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam.

Het Athenaeum Illustre wordt algemeen beschouwd als de voorloper van de Universiteit van Amsterdam (UvA), hoewel aan het Athenaeum niet kon worden afgestudeerd en geen graden konden worden behaald. De wettelijke erkenning als instelling voor hoger onderwijs kreeg het Athenaeum Illustre in 1815. Het promotierecht werd in 1877 toegekend en het Athenaeum werd toen omgevormd tot de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam (ook wel bekend als de GU).[1][2][3]Hoogleraren aan de universiteit werden benoemd door het stadsbestuur, uit hoofde van zijn functie was de burgemeester voorzitter van het universiteitsbestuur. Dit bleef zo tot 1961, toen werd de financiële verantwoordelijkheid overgenomen door de nationale overheid.

Het onderwijs dat gegeven werd op het Athenaeum Illustre was aanvankelijk humanistisch van aard, maar reeds in 1653 werd Alexander de Bie benoemd tot lector in de wiskunde; hij werd een jaar later bevorderd tot hoogleraar. Tot zijn dood in 1690 bleef hij aan de school verbonden. De burgemeesters van Amsterdam waren speciaal geïnteresseerd in nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen wanneer deze directe toepassing hadden, zoals in het geval van navigatie. Amsterdammers waren liberaal ten opzichte van religie, maar zeker niet wetenschappelijk progressief.[4]

In latere jaren werd het onderwijsaanbod uitgebreid met Oosterse talen, botanie, heelkunde, anatomie en natuurwetenschappen. In 1646 werd een lector in de botanie aangesteld (Johannes Snippendael). De eerste medische hoogleraar was Gerard Blasius, die in 1660 tot extraordinarius en in 1666 tot ordinarius werd benoemd. Een bekende orientalist, verbonden aan het Athenaeum van 1785 tot zijn dood in 1804, was Didericus Adrianus Walraven. Hij was in zijn tijd een van de vooraanstaandste kenners van het Hebreeuws en het Arabisch in Nederland. De waarschijnlijk internationaal bekendste hoogleraar in de geschiedenis van het Athenaeum was Jean Henri van Swinden, die van 1785 tot zijn dood in 1823 wis- en natuurkunde aan de instelling doceerde.

Na de Franse tijd werd het onderwijsaanbod aanzienlijk uitgebreid, speciaal in diverse medische richtingen. Hoogleraren in geneeskundige vakken waren Christiaan Bernard Tilanus, Pieter Hendrik Suringar, Leopold Lehmann, Jan Leonard Chanfleury van Ysselstein, Jan Willem Reinier Tilanus, Heinrich Daniël Johann Joachim Hertz. Al deze zijn in 1877 overgegaan naar de universiteit: alleen C.B. Tilanus was reeds 2 September 1873 emeritus geworden en opgevolgd door Carel Lambertus Wurfbain.


Canon van Amsterdam

{{bottomLinkPreText}} {{bottomLinkText}}
Athenaeum Illustre (Amsterdam)
Listen to this article