Ondertoezichtstelling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ondertoezichtstelling (OTS) is een kinderbeschermingsmaatregel die de kinderrechter kan opleggen als een minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De ondertoezichtstelling wordt slechts uitgesproken als de ouders de vrijwillige jeugdhulp niet of onvoldoende accepteren, maar de verwachting gerechtvaardigd is dat zij binnen afzienbare tijd weer in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen.[1] De ondertoezichtstelling wordt onder meer opgelegd wanneer kinderen probleemgedrag vertonen (bijvoorbeeld ongeoorloofd schoolverzuim, weglopen van huis en delinquent gedrag) of lijden onder (ernstige) psychiatrische problematiek en gedragsstoornissen. Ook kindermishandeling, verwaarlozing, seksueel misbruik, pedagogische onmacht, verslavingsproblematiek en psychiatrische problemen van de ouders, kunnen gronden zijn om een minderjarige onder toezicht te stellen. In 2019 stonden in Nederland in totaal 32.475 minderjarigen onder toezicht, in 2020 was er sprake van een lichte stijging naar in totaal 32.543 minderjarigen.[2]

De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en het Openbaar Ministerie (OM) kunnen een verzoek tot ondertoezichtstelling indienen bij de kinderrechter. Daarnaast is de ouder/verzorger van de minderjarige bevoegd tot indiening van het verzoek, maar alleen als de RvdK niet tot het verzoek overgaat.[3]

De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling voor een periode van maximaal één jaar opleggen. Zolang de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige niet is weggenomen, kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling telkens verlengen met maximaal één jaar. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling ook tussentijds opheffen als de concrete bedreigingen voor de minderjarige reeds zijn weggenomen.[4]