Reïncarnatie

geloof dat de geest van een levend wezen een nieuw leven begint in een andere fysieke vorm of lichaam na de biologische dood / Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Reïncarnatie (Latijn: caro, vlees; re, opnieuw, wedervleeswording, Grieks metempsychôsis, opnieuw bezield, vandaar zielsverhuizing) of wedergeboorteleer is de religieuze of filosofische opvatting dat het niet-lichamelijke deel van een levend wezen (de ziel of de geest) na de dood niet verdwijnt, maar opnieuw in een ander levend wezen geboren wordt. De belangrijkste religies met een geloof in reïncarnatie zijn Aziatische religies, vooral het hindoeïsme, het jainisme, het boeddhisme en het sikhisme. Daarnaast komt het ook voor in de newagebeweging en bij sommige indiaanse religies van Noord- en Zuid-Amerika. Het geloof in reïncarnatie wordt ook aangetroffen bij sommige kleine volken in gebieden die als islamitisch bekendstaan, zoals de Druzen[1]. In het jodendom wordt reïncarnatie 'Gilgul' genoemd. Het huidige christendom wijst het idee af, maar het vroege christendom kende ook gelovers in reïncarnatie. De leer over reïncarnatie en incarnatie in de verschillende religies verschillen dikwijls van elkaar en soms wordt aan andere termen de voorkeur gegeven.

Hindoeïstische afbeelding met de levensdraad
De deva Mara, Heer van Dood en Lust, houdt het wiel van reïncarnatie vast en probeert mensen in het samsara te houden, boeddhistisch beeld, 1177-1249